woensdag 29 mei 2013

Mammoet op de motor

Nee, dat kan niet. Of toch wel? Jazeker, zelfs een paard op de motor! Het gaat hier niet om een voertuig, maar om de Zandmotor, een kunstmatig aangelegde zandbank ter hoogte van Monster. Hier vond ik stukken tand en bot van de mammoet en een hielbeen van een paard.
De Zandmotor is een experiment in het kader van het kustverdedigingssysteem. In 2011 uitgevoerd voor de kust van Zuid-Holland. Het heeft de vorm van een schiereiland.
Fragment mammoettand
Elk jaar pikt de zee zand van de Nederlandse kust weg. Dat brengt het westen, dat beneden het zeeniveau ligt, in gevaar. Rijkswaterstaat vult het opgeslokte zand steeds weer aan. Op zich werkt dit prima, maar het kost wel een hele berg zand.

Neem bijvoorbeeld de Noordwijkse kust. Ondanks dat deze kust in 2007 met een dijk is versterkt, moet er door erosie toch regelmatig weer 250.000 m³ zand bij. Daarmee kun je 284.000 zandbakken vullen, om maar even een idee te geven. Bovendien komt dit onderhoudsklusje steeds weer terug.
Men ging daarom op zoek naar een lange termijn oplossing en kwam zo op de Zandmotor.

Wandelen en speuren naar fossielen

De Zandmotor vanuit de lucht gezien

Voor de aanleg van deze kunstmatige zandbank zogen schepen met grote sterke pompen en motoren zand van de Noordzeebodem en spoten het op het strand. Dat waren enorme hoeveelheden, in totaal werd er 19 miljoen kubieke meter zand gebruikt! Het was een berenklus, maar wanneer het experiment slaagt, dan heb je er ook geen omkijken meer naar. Dankzij de energie van de wind, golven en stroming komt het zand zelf in beweging. Het verspreidt zich langs de kust en maakt deze sterker. De drijvende kracht van wind, golven en stroming werkt als een motor, vandaar ook de naam 'Zandmotor'.

De Zandmotor leverde niet alleen een uniek kustverdedigingssysteem, maar ook een rijkdom aan fossielen. Een deel van de enorme bak zand die is opgehaald uit de Noordzee en uitgespuugd op het strand, is namelijk zo’n 11.500 tot 128.000 jaar oud! Toen was de zeespiegel door toename van het landijs in Scandinavië enorm gedaald en de Noordzee werd land. Nederland was verbonden met Engeland! Het landschap bestond uit koude ruige steppes waar geen boom te vinden was, maar wel grassen en lage struiken. Een lekkernij voor de grote graas gasten zoals de wolharige mammoeten, bizons, wolharige neushoorns, wilde paarden en reuzenherten.



Hielbeen paard
Deze grote grazers stierven uit, waarschijnlijk door een stijging van de zeespiegel. Veel botten kwamen terecht onder het zand van de zeebodem en werden fossielen. Met de aanleg van de Zandmotor kregen ze een nieuwe plek. Soms in musea, waar ze worden onderzocht en getoond aan publiek. Soms bij verzamelaars zoals ik, waar ze worden bewonderd om hun schoonheid.

maandag 18 maart 2013

Waggelende withoofden

Zo omschreef ontdekkingsreiziger Sir John Narborough in de 17e eeuw de pinguins die hij zag in Puerto Deseado, Argentinie. Sir John had nog nooit zulke vreemde wezens gezien. Dat bleek wel uit zijn beschrijving van de diertjes: ‘rechtop staand als kleine kinderen in witte schorten dicht opeen’.
Sir John noemde de waggelende withoofden ‘peng wyn’ dat in het Welsh ‘withoofden’ betekent.

En van zo’n peng wyn heb ik het dijbeentje, het ‘cluncoes’, om maar even in het Welsh te blijven.

Ik kreeg dit ‘cluncoes’ van een familielid dat in Argentinie op vakantie was. Hij raapte het op in Puerto Deseado, waar ook nu nog duizenden pinguins leven.....en weer dood gaan. Hun botten blijven liggen en zullen uiteindelijk vergaan.
Maar één botje reisde na de dood nog verder, wel 11.000 kilometer, om daarna een speciale plaats te krijgen in mijn vitrinekast. Uitgewaggeld, maar nog steeds bijzonder.

maandag 14 januari 2013

Vuurwerk

Soms krijg je zo maar iets bijzonders in je handen. Een kennis die wist van mijn passie voor het verleden, bracht een aantal scherven voor mij mee. Eén daarvan was afkomstig van een zogenaamde vuurklok. Ik had er nog nooit van gehoord.

Vuurklok met platte kant
Een vuurklok, zo hoorde ik, was een kap die men rond de 17e eeuw gebruikte om een open vuur in huis af te dekken. De huizen waren koud en vochtig in de winter. Daarom maakte men in huis een open vuur in een zogeheten vuurplaats. Dat was geen klusje zonder gevaar. De meeste huizen waren tot in de Middeleeuwen van hout, riet en leem gemaakt. Er is weinig voorstellingsvermogen voor nodig wat er gebeurt met een vonkje in het riet.
Kleine huizen hadden daarom in de Middeleeuwen één tegen de wand gemetselde schoorsteen. Daar bevond zich de vuurplaats waarin het vuur werd gemaakt dat ’s nachts met een vuurklok werd afgedekt. Door de constructie van de vuurklok bleef het vuur heel zachtjes smeulen en kon het de andere morgen weer eenvoudig worden aangewakkerd.

Tondeldoos
Maar waarom niet gewoon het vuur doven en de andere morgen weer aansteken? Omdat dat ‘niet gewoon’ ging. In die tijd beschikten ze nog niet over de o zo handige zwavelstokjes om vlam te maken. Daarvoor had je een tondeldoos nodig. Dit was een doosje met tondel, een licht ontvlambaar materiaal, zoals bijvoorbeeld vlas of de tondelzwam. De tondelzwam bestaat uit heel fijne vezels die heel snel ontbranden. De ijsman Oetzi had ze ook bij zich om vuur te maken. Deze zwammen groeien nog steeds overal op dode bomen. Bij de tondeldoos hoorde nog een metalen ring (de vuurslag) en je had ook een vuursteentje nodig.De vuursteen werd op de ring geslagen en met de vonk die daarbij vrij kwam, kon je het vlas of de tondel laten branden. Tenminste, als je behendig was. Het was namelijk nog een hele kunst om de boel in vuur en vlam te krijgen. Bovendien was zo’n tondeldoos duur. Men wilde daarom graag ’s nachts het vuur zachtjes laten smeulen. Met al dat hout, riet en leem in de buurt moest dat natuurlijk wel veilig gebeuren en daarvoor werd een zogenaamde ‘vuurklok’ gebruikt.

Vuurklok rond
De klokvormige stolpen vuurklokken waren gemaakt van aardewerk, soms voorzien van luchtgaatjes en één of meer handvaten. Soms hadden ze een tuit die dezelfde functie had als de luchtgaatjes. Deze luchtgaatjes zaten er in om het vuur ‘s nachts niet te laten uitgaan. Er waren twee typen vuurklokken:
- ronde vrijstaande modellen;
- halfronde exemplaren die tegen de wand geplaatst kunnen worden, bij een schouw met een vlakke stenen achterwand.


Vuurklok rond
De scherven van vuurklokken hebben dan ook een geblakerde kant, maar er zijn ook scherven zonder roetkant gevonden. Vreemd? Toch niet. In de loop van de 18e eeuw werd de vuurklok vervangen door de as- en doofpot. De vuurklokken werden niet meer als vuurafdekkers gebruikt, maar stonden als siervoorwerpen in huis. Wat zijn ze mooi, die klokgave exemplaren.

zaterdag 10 november 2012

Speels oudje



Tijdens een avondwandeling door het dorp liep ik met manlief door een oud straatje. Enkele panden waren daar afgebroken om plaats te maken voor moderne appartementen. En waar oud was, daar kunnen altijd interessante dingen liggen. Wat had ik graag het afbraakterreintje afgestruind, speurend naar al het oude wat was. Maar een hek hield mijn plannen tegen. Jammer, de panden die er stonden, hadden namelijk deel uit gemaakt van de dorpskern die al sinds 1650 bestond. Mmmm.. al kon ik dan niet op het terrein rond lopen, ik kon wel met mijn armen door het hek hengelen. Tussen wat puin vond ik een bruin/grijs balletje ter grootte van een wijnbal.

Wat was het? Een knikker? Een prul? Ik gokte op een knikker en ging op zoek naar informatie die ik kreeg van een gepassioneerde knikkerverzamelaar.

Hij vertelde dat mijn vondstje hoogstwaarschijnlijk een stenen knikker is. Gedurende honderden jaren zijn er knikkers van allerlei materialen gemaakt: marmer, porselein, klei en glas. Marmer en porselein vielen volgens de kenner sowieso al af, want die beschadigen niet zo. Klei heeft vaak een zelfde kleur en omdat mijn knikker zwarte vlekjes heeft, kon ook die mogelijkheid worden afgestreept. De enige optie was dat-ie van steen is.

Vanaf 1550 tot ongeveer 1850 werden er in Europa knikkers van steen gemaakt in steenmolens. Dit gebeurde in voornamelijk in Belgie, maar ook in Duitsland. De meeste van deze knikkers gingen naar Nederland.
Ongeacht van welk materiaal ze ook waren, knikkers behielden over het algemeen hun naam naar aanleiding van het oorspronkelijke materiaal waarvan ze waren gemaakt: marmer.
De Duitsers noemden ze' Marmor', Engelsen zeiden 'Marbel', de Vlamingen spraken over 'Merbels' en onze Zeeuwen knikkerden met 'Murpels'.  Na deze interessante taalles zat ik alleen nog met de vraag hoe oud mijn kleine roller was.
Daarop kon de knikkerverzamelaar antwoord geven. Hij vertelde mij dat op grond van het materiaal de knikker zeker tussen 1700 en 1750 moet zijn gemaakt. Dit was de glorietijd van de stenen knikkers. Drommels! Een stuiter van meer dan 300 jaar oud! Wie zou daarmee hebben geknikkerd in ons dorp? Misschien wel de kleine Jannetje die er mee heeft leren knikkeren van haar broer Kobus. Ik zie het tweetal zo staan waarbij Kobus geduldig aan Jannetje uitlegt hoe zij moet knikkeren:

'Men neemt eene aental knickersch in den hand, eene tweede voegt er evenveel bij. Den eersgte probeert de knickersch in eene in den gront gemaekt kuiltje te goijen. Blijft eene eeven aental in 't kuiltje lighen, dan heeft hij allesch gewonnen; soo niet, dan heeft den ander gewonnen. In plaetsch van eene kuiltje in den grond, kan oock 't kuiltje in eene hoet worden gebruikt.'


Tja, ik kan alleen maar fantaseren hoe dat zo’n 300 jaar geleden is gegaan. Ik had graag eens een kijkje in deze tijd willen nemen. Dan had ik waarschijnlijk ook gezien hoe Jannetjes knikker zo lang bewaard heeft kunnen blijven. Misschien ‘goijde’ ze wel ietsje te hard en ‘rolde den knicker in eene putje’, waar Jannetje er niet meer bij kon en in tranen naar haar moeder rende. De knikker wachtte 300 jaar geduldig af tot het huisje, inclusief put verdwenen was en zij weer opgeraapt kon worden. Een knikkerkuiltje heb ik al gegraven.

donderdag 23 augustus 2012

Steengoed gereedschap


Inderdaad, steengoed in de letterlijke zin van het woord. Dat is niet overdreven want het gereedschap dat mam moet laten zien is niet alleen zeer oud, maar ook nog zeer bruikbaar. Zeer oud in de zin van tienduizenden jaren voor Chr. Zeer bruikbaar omdat het gereedschap nog heel scherp is. Het gaat hier om werktuigen uit het stenen tijdperk.

Deze vernuftige gereedschappen uit het verleden worden ook wel artefacten genoemd. Ze dienen om het werk eenvoudiger en lichter te maken.
En dat was precies wat de stenen tijdperkmens nodig had.
Die moest in het stenen tijdperk niet alleen middelen voor de jacht hebben, maar ook gereedschap om de huiden van beesten te bewerken en huizen te bouwen. De steentijdmens ging aan de slag en door middel van het splijten van vuursteen maakte hij robuuste werktuigen zoals bijlen, vuistbijlen, klingen, schrabbers en schrapers. Vuursteen werd vaak gebruikt omdat deze steensoort het meest geschikt was om te splijten, hard genoeg was en scherpe breukvlakken had.
Ik vind werktuigen altijd erg fascinerend en ik was daarom opgetogen toen ik op een schelpenpad van een kantoorgebouw in Nederland een steen vond in de vorm van een vuistbijl. Maar de pret was van korte duur. Ik kwam erachter dat in Nederland zelden werktuigen worden gevonden en ik behoorde niet tot de groep van zeldzame vinders. Wat ik had opgeraapt zag er dan wel uit als een werktuig, maar bleek een eoliet te zijn.
Een eoliet


Eolieten zijn de misleiders onder de werktuigen. Ze ontstaan door natuurlijke krachten zoals erosie van de branding van de zee, stromend water over rivierkeien of door vorst en vuur.



Nee, voor echte werktuigen moet je naar Frankrijk. Dat hoorde ik een kenner vertellen. Hij was in de Dordogne geweest en had daar een aantal werktuigen gevonden. Ik mocht een paar van deze artefacten hebben en was er dolblij mee. De gevonden werktuigen waren klingen en schrabbers. Ze zijn gemaakt van Silex (vuursteen) en zijn van circa 17.000 tot 14.000 jaar voor Chr. Stuk voor stuk zijn ze nog vlijmscherp!


Je kunt er makkelijk nog een stukje Franse kaas mee snijden.





zondag 15 april 2012

Mammoet schouder ophalen

Fragment schouderblad mammoet
Mammoet inderdaad de schouder ophalen…van een echte mammoet. Dit fossiele juweel kwam in mijn collectie, samen met andere fossiele botten, cadeau gedaan door een gepassioneerde verzamelaar. Het is een deel van het schouderblad van een mammoet. Het deel meet al 19 cm maar de afmeting van een compleet schouderblad ligt tussen de 65 en 100 cm!

Toen ik de verzameling botfragmenten kreeg, vroeg ik mijn schenker van welk dier de botten afkomstig waren. Lachend vertelde hij me dat ik dat zelf mocht gaan uitzoeken in het kader van het leren determineren. Dat determineren is niet eenvoudig. Het is tijdrovend en de hoeveelheid geschonken botten maakte dat ik de achterstand in determineren nog steeds niet heb kunnen wegwerken. Zo af en toe pak ik er eentje uit om het determineren te ‘oefenen’. Dit keer was het een botfragment, dat later het schouderfragment van de mammoet bleek te zijn.
Fragment schouderblad mammoet (andere zijde)

Om te kunnen bepalen tot welk dier het bot behoort, moet je eerst weten om welk bottype het gaat, zoals bijvoorbeeld een dijbeen, opperarmbeen of schouderblad. Hier heb je meteen al het eerste struikelblok te pakken. Soms is een bot zó beschadigd dat er van de oorspronkelijke vorm maar weinig te herkennen is. Dat was ook bij dit botfragment het geval.
Wanneer een bot zo kapot is dat het bottype niet meteen herkenbaar is, dan komt het aan op ervaring. Die ervaring doe je op door het bot(fragment) heel goed te bekijken, te meten en te vergelijken met andere botten. Die vergelijking kun je doen met afbeeldingen in boeken, maar het meest leer je nog als je al duizenden botten door je handen laat gaan.

Mijn collectie botten is echter maar klein. Bovendien heb ik daarin nog maar heel weinig mammoetmateriaal en al helemaal geen schouderblad, dus op het onderdeel determineren haalde ik dit keer geen goed cijfer.

Om de waarheid te zeggen, ik zat er compleet naast met mijn idee van een dijbeen van een wisent. Maar door er nu compleet naast te zitten heb ik wel geleerd steeds dichter bij het goede antwoord te komen. Het is gewoon een kwestie van je schouders eronder zetten.

zondag 8 april 2012

Versteende reuzen

Fragment versteend hout
Het fossieltje dat ik laatst kreeg, mag wel het oudst in mijn bescheiden verzameling worden genoemd. Het is een stukje versteend hout van 150 miljoen jaar oud. Een familielid, die wist van mijn voorliefde voor al het oude, bracht het voor mij mee. Natuurlijk wil ik deze geologische schat niet helemaal voor mijzelf houden, dus toon ik het wondertje op ‘Watmammoet’. En een wondertje, dat is het zeker.
Het kleine fragmentje komt uit het versteende bos van Argentinië, om precies te zijn: het ‘Bosque Petrificado José Ormachea’. Hier liggen versteende bomen van wel 30 meter lang en met een diameter van meer dan 3 meter, Si señor!

Versteende boom uit het Bosque petrificado, Argentinië
Je zou zeggen dat bomen met een dergelijke omvang wel tegen een stootje kunnen. Dat is ook zo, maar tegen het klimatologische geweld waar deze bomen mee te maken kregen, was niets bestand. Het gebied waarin ze stonden, werd miljoenen jaren geleden geteisterd door hevige orkanen en aardbevingen, waardoor zelfs bomen van enorme afmetingen werden geveld.
Gek genoeg is het aan vulkaanuitbarstingen te ‘danken’ dat wij deze bomen nog kunnen aanraken. De vulkaanas bedekte namelijk de omgevallen bomen. Hierdoor kwam een fossiliserend proces op gang. Alle organische materialen in het hout werden vervangen door mineralen, zoals onder andere kwarts. De bomen versteenden, maar behielden de structuur van het hout. 

Kruittoren Nijmegen nabij Kronenburgerpark

Liggend zorgen deze versteende reuzen al voor een fascinerend gezicht, maar wat moet het indrukwekkend zijn geweest toen ze nog in volle glorie met hun kruinen naar de hemel reikten. Zo hoog als de Nijmeegse kruittoren aan het door Frank Boeijen bezongen Kronenburgerpark.