zondag 15 april 2012

Mammoet schouder ophalen

Fragment schouderblad mammoet
Mammoet inderdaad de schouder ophalen…van een echte mammoet. Dit fossiele juweel kwam in mijn collectie, samen met andere fossiele botten, cadeau gedaan door een gepassioneerde verzamelaar. Het is een deel van het schouderblad van een mammoet. Het deel meet al 19 cm maar de afmeting van een compleet schouderblad ligt tussen de 65 en 100 cm!

Toen ik de verzameling botfragmenten kreeg, vroeg ik mijn schenker van welk dier de botten afkomstig waren. Lachend vertelde hij me dat ik dat zelf mocht gaan uitzoeken in het kader van het leren determineren. Dat determineren is niet eenvoudig. Het is tijdrovend en de hoeveelheid geschonken botten maakte dat ik de achterstand in determineren nog steeds niet heb kunnen wegwerken. Zo af en toe pak ik er eentje uit om het determineren te ‘oefenen’. Dit keer was het een botfragment, dat later het schouderfragment van de mammoet bleek te zijn.
Fragment schouderblad mammoet (andere zijde)

Om te kunnen bepalen tot welk dier het bot behoort, moet je eerst weten om welk bottype het gaat, zoals bijvoorbeeld een dijbeen, opperarmbeen of schouderblad. Hier heb je meteen al het eerste struikelblok te pakken. Soms is een bot zó beschadigd dat er van de oorspronkelijke vorm maar weinig te herkennen is. Dat was ook bij dit botfragment het geval.
Wanneer een bot zo kapot is dat het bottype niet meteen herkenbaar is, dan komt het aan op ervaring. Die ervaring doe je op door het bot(fragment) heel goed te bekijken, te meten en te vergelijken met andere botten. Die vergelijking kun je doen met afbeeldingen in boeken, maar het meest leer je nog als je al duizenden botten door je handen laat gaan.

Mijn collectie botten is echter maar klein. Bovendien heb ik daarin nog maar heel weinig mammoetmateriaal en al helemaal geen schouderblad, dus op het onderdeel determineren haalde ik dit keer geen goed cijfer.

Om de waarheid te zeggen, ik zat er compleet naast met mijn idee van een dijbeen van een wisent. Maar door er nu compleet naast te zitten heb ik wel geleerd steeds dichter bij het goede antwoord te komen. Het is gewoon een kwestie van je schouders eronder zetten.

zondag 8 april 2012

Versteende reuzen

Fragment versteend hout
Het fossieltje dat ik laatst kreeg, mag wel het oudst in mijn bescheiden verzameling worden genoemd. Het is een stukje versteend hout van 150 miljoen jaar oud. Een familielid, die wist van mijn voorliefde voor al het oude, bracht het voor mij mee. Natuurlijk wil ik deze geologische schat niet helemaal voor mijzelf houden, dus toon ik het wondertje op ‘Watmammoet’. En een wondertje, dat is het zeker.
Het kleine fragmentje komt uit het versteende bos van Argentinië, om precies te zijn: het ‘Bosque Petrificado José Ormachea’. Hier liggen versteende bomen van wel 30 meter lang en met een diameter van meer dan 3 meter, Si señor!

Versteende boom uit het Bosque petrificado, Argentinië
Je zou zeggen dat bomen met een dergelijke omvang wel tegen een stootje kunnen. Dat is ook zo, maar tegen het klimatologische geweld waar deze bomen mee te maken kregen, was niets bestand. Het gebied waarin ze stonden, werd miljoenen jaren geleden geteisterd door hevige orkanen en aardbevingen, waardoor zelfs bomen van enorme afmetingen werden geveld.
Gek genoeg is het aan vulkaanuitbarstingen te ‘danken’ dat wij deze bomen nog kunnen aanraken. De vulkaanas bedekte namelijk de omgevallen bomen. Hierdoor kwam een fossiliserend proces op gang. Alle organische materialen in het hout werden vervangen door mineralen, zoals onder andere kwarts. De bomen versteenden, maar behielden de structuur van het hout. 

Kruittoren Nijmegen nabij Kronenburgerpark

Liggend zorgen deze versteende reuzen al voor een fascinerend gezicht, maar wat moet het indrukwekkend zijn geweest toen ze nog in volle glorie met hun kruinen naar de hemel reikten. Zo hoog als de Nijmeegse kruittoren aan het door Frank Boeijen bezongen Kronenburgerpark.

maandag 12 maart 2012

De vondst van een heilzame vondst

Bij het omspitten van mijn achtertuintje rolde er zomaar iets moois in mijn handen. Tussen de donkere kluiten aarde vond ik namelijk een deel van een klein groen glazen flesje met in reliëf nog net leesbaar: “d ClaasTilly”.
Het flesje zag eruit als een ‘trouwbedankje’, vast meegegeven door het bruidspaar ‘Claas en Tilly, bedacht ik zo. Maar een virtuele zoektocht zette Claas en Tilly al snel op een bijspoor. Het ging hier namelijk om een deel van een flesje zogenaamde ‘Haarlemmerolie', ongeveer 300 jaar geleden uitgevonden door de Haarlemse onderwijzer Claes Tilly.
 
Claes was waarschijnlijk een praktische man met weinig ruimte in zijn medicijnkastje. In plaats van een pilletje voor elke kwaal bedacht hij ‘Haarlemmerolie’, een uit kruiden, zwavel en terpentijn bestaand wondermiddel voor een heleboel kwalen. Hij verpakte zijn olie in langwerpige flesjes van ongeveer 9 cm lang.
Je kon geen moment meer zonder de wonderlijke olie volgens Tilly, want volgens hem geneest het:  de benaauwde band, die men heeft op of om de maag, verstuiking in de handen en voeten, pijn in de Lenden, geronne bloed en blaauwe plekken, allerlei koorts, velerlei maag-, long- en lever quaal, benauwde borst en hoest, inwendige quetzing en verzwering, pijnlijk wateren en stoelgang, geeft het aanzicht een gezonde couleur, drijft scheurbuik en waterzucht uit, Engelsche Ziekte en wormen. Tilly sloot de lijst met ellende af met de verlossende woorden: “Al dit bovenstaande wordt genezen met 15 droppelen om den anderen dag ingenomen, en kinderen zoo veel droppelen als zij jaren oud zijn”.

Het middel genoot enkele honderden jaren geleden zelfs al internationale faam want veel zeevaarders, zendelingen en missionarissen namen het middel mee op hun tochten naar verre werelddelen.

Ja, wonderolie wordt ervaren als een echt paardenmiddel, zelfs in letterlijke zin. Zo hoorde ik dat paarden met koliek, wormbesmettingen en maagzweren het weer prima ‘doen’ op het mengsel van meester Tilly.
Woonhuis en Haarlemmeroliefabriek Claes Tilly
In Nederland was men er dol op en sommigen ‘zweren’ nog steeds bij deze Haarlemse uitvinding.
Waarschijnlijk ook de vroegere bewoner van ons meer dan honderd jaar oude huis. Misschien had die wel last van pijnlijk wateren of wilde hij graag een gezonde couleur op het aangezicht? Misschien was het wel voor zijn trekpaard, dat leed aan een pijnlijke koliek?
Of was het voor hen allebei? Voor het trekpaard met de koliek en voor de bewoner die er, na een flinke trap van het humeurige trekpaard,  een flinke inwendige quetzing aan had overgehouden?
We zullen het nooit zeker weten, maar dat weet je met wonderen nooit.

zondag 5 februari 2012

Ik heb een tand(te) uit Marokko


Ja, deze tand(te) komt inderdaad uit Marokko en het is verwonderlijk hoe ze op haar bejaarde leeftijd nog de wereld rondreist. Deze tand(te) is namelijk al ongeveer 50 miljoen jaar oud. Waar het hier om gaat is natuurlijk geen tante in de zin van het woord, maar om een fossiele tand, om precies te zijn: een haaientand. Om nóg preciezer te zijn: een tand van de Otodus Obliquus. Een uitgestorven haaiensoort die familie is van de hedendaagse haringhaai. De Otodus was wel een stukje groter dan haar nu levend familielid. De haringhaaien die onze zeeën nu bevolken meten op zijn hoogst 3,5 meter terwijl de Otodus de afmeting had van een Amerikaanse camper.

Net als de 'mammoth chips' is dit geen vondst die ik op mijn naam mag schrijven, maar op de naam van mijn twee familieleden. Zij namen tand(te) Otodus mee van een zonnige vakantie, niet in Marokko maar in Spanje.

De tand lag daar in een marktkraampje stilletjes met ammonieten en pijlpunten van inktvissen te wachten tot ze mee mocht naar Nederland waar ‘mam’ wel zou weten wat ze er mee ‘moet’.

Mammoest eerst op zoek naar de voorgeschiedenis en vond die. De tand komt uit de omgeving van Khouribga en Oued Zem, Marokko. In Marokko wordt veel fosfaat gewonnen in open groeves. In deze fosfaatafzettingen komen veel zee-fossielen voor zoals bijvoorbeeld haaientanden. Alleen de tanden en wervels van deze oude bijter worden gevonden, geen skeletten. Dit komt door het kraakbenig skelet dat te broos is om als fossiel bewaard te blijven.

De tandenfee zou allang op zwart zaad hebben gezeten als ze de haai als klant had. In de loop van zijn leven verslijt de haai namelijk duizenden tanden. Haaien kunnen tot wel 8 rijen tanden hebben. Veel tijd om stomp te worden, krijgen ze niet. Ze staan slechts enkele dagen of weken in de voorste rij. Dan stopt de aanvoer van voedingssstoffen, het tandvlees eronder sterft af en de tand valt uit. Een haai kan zo tijdens zijn leven wel 20.000 tanden verbruiken. Dát is pas wisselen!


Het waren ware slagersmessen, de tanden. De zijkanten waren vlijmscherp, een soort minimesjes. Als de haai haar bek dichtklapte, dan scheerden de tanden als een schaar langs elkaar. Zo ‘knipten’ze grote lappen vlees zonder veel moeite van een prooi.

Al mag de tand dan al lange tijd geen deel uit maken van een levend dier, de knipfunctie doet het nog prima! Moeiteloos glijdt de tand door een stuk papier.
Huiveringwekkend om je voor te stellen waartoe het dier bij leven in staat was.

dinsdag 27 december 2011

Mammoettanden uit onverwachte hoek

Ja, deze mammoettanden komen niet alleen uit een onverwachte hoek, maar ook in een onverwachte verpakking en in een onverwacht formaat.
Wat is er zo onverwacht aan? Wel, mammoettanden worden doorgaans in de grond ontdekt. Naar boven gekomen door gesmolten ijs, opgevist uit zee of zichtbaar geworden in drooggevallen rivierbeddingen. Ze zijn dan niet mooi verpakt en doorgaans een stukje groter dan het formaat waarin ik ze kreeg.

Maar deze tanden hebben een ander verhaal. Ze komen van 184 meter hoog uit de Space Needle in Seattle, Washington USA. Ik kreeg ze als souvenir in een plastic buisje waarop stond: ’Wooly Mammoth Chips’. Het waren kleine stukjes gefossiliseerd ivoor, afkomstig van de wolharige mammoet, de Mammuthus Primigenius.
Er moest een reden zijn waarom ze juist daar in Seattle, op de Space Needle deze stukjes mammoettand verkopen. Dat was al snel uitgevogeld.

De Space Needle is een grote toeristische attractie in Seattle. De toren is geplaatst ter ere van de wereldtentoonstelling van 1962. Het is het symbool van Seattle en trekt veel bezoekers. Deze bezoekers kunnen van een hoogte van wel 184 meter kijken naar het Olympic Peninsula. En daarmee is de verkoop van dit bijzondere souvenir verklaard want het Olympic Peninsula is een belangrijke vindplaats van mammoetresten.

Mammoetresten tref je doorgaans in een museum aan en het is een unicum ze zelf in bezit te hebben. Maar soms vinden ze op een opmerkelijke manier ook hun weg naar het huis van een kleine verzamelaar zoals ik.

maandag 12 december 2011

Zeeklit met keurig kapsel

Een mooi gekamd hoofdje, daar dacht ik meteen aan toen ik het karkas van dit mooie schepseltje vond. Het keurig gekapte bolletje is van een zeeklit.

De naam strookt helemaal niet met hoe de zeeklit eruit ziet. Alle haartjes liggen zo mooi in de plooi dat ‘zeecoupe’ wel een goede benaming was geweest. Of nóg deftiger : ‘zeecoiffure’. Ik vond het dan ook erg grappig toen ik las dat een zeeklit ook wel ‘hartegel’ wordt genoemd.
Met ‘coiffure’ nog in mijn hoofd sprak ik dit helemaal verkeerd uit: ‘harte-gel’ terwijl dit natuurlijk ‘hart-egel’ moet zijn.
Tot nu toe weten we nog niet veel meer van de zeeklit dan de parodie van namen die ik er op heb losgelaten. Maar wat is een zeeklit nou eigenlijk? 

Het is een grote hartvormige zee-egel. Het kale, erg breekbare skelet ligt vaak op het strand. Als ze nog leven, dan zijn hun lichamen overdekt met een zeer groot aantal dunne, korte stekels. Die liggen plat op het lichaam liggen en zijn naar achteren gericht. Het lijken meer op stugge haartjes dan op stekels, waardoor een levende zeeklit meer weg heeft van een harige aardappel. In het Engels worden ze dan ook ‘zee-aardappel’ genoemd.

Zeeklitten leven ingegraven in de zeebodem, ze houden een tunnel open naar het bodemoppervlak waar ze extra lange zuignap-voetjes doorheen steken. Met deze gevoelige voetjes zoeken ze op de oppervlakte van de zeebodem naar organisch afval. Vervuiling van de zeebodem met olie heeft daarom een nadelige invloed op ze.
Omdat de zeeklit in het zand leeft en een breekbaar skelet heeft, is hij erg gevoelig voor bodemverstoring. Als hij in een visnet terecht komt, is er weinig kans dat hij het overleeft, omdat hij met zijn tere skelet al snel platgedrukt wordt.

Nederlandse vissers noemen de zeeklit ook wel koeten-ei of zandbollen. In de wat noordelijker gelegen visgebieden, zoals de Oestergronden, kan een bodemvisnet (boomkor bijvoorbeeld) geheel gevuld met zeeklitten boven water komen, zo dicht opeengepakt leven ze soms op de bodem. En een visser vist op vis, niet op zeeklitjes, dus wanneer een visser een net vol met deze fragiele schepseltjes naar boven haalt, dan is hij daar niet blij mee.
Als de zeeklit sterft, dan laat haar lichaam daarna weinig sporen meer achter. De stekelhaartjes laten namelijk al heel snel los en de karkasjes zijn zo bros, dat het niet lang duurt voor ze helemaal zijn vergaan.
We waren dus beiden geluksvogels die dag op het strand. De zeeklit, omdat zij nu een prachtig plekje in een vitrinekast krijgt en ik, omdat die vitrinekast de mijne is.

zondag 4 december 2011

Rare (ijzeren) vogel

Op het strand speur ik doorgaans naar fossiele botten, scherven en schelpen, maar soms kom ik vreemde dingen tegen. Er ligt werkelijk van alles. Zo vond ik er ooit een identiteitsbewijs van een Belg, hij was zijn id al jaren kwijt en intussen was het jochie van de foto al uitgegroeid tot een stoere kerel.
En wat te denken van een computerbeeldscherm? Het is duidelijk dat computertechnologie zich niet alleen aan land snel ontwikkelt, maar ook aan boord van schepen niet stilstaat. Ook daar gaan de oude soms ook letterlijk overboord om plaats te maken voor hun platte concurrent.
Het meest vreemde wat ik toch wel in het zand heb zien steken was een kunstgebit, vast onbedoeld overboord gegaan tijdens een woelig vaartochtje.

Maar soms liggen er onbekende stukken metaal, die je niet kunt laten liggen omdat ze er te opmerkelijk uit zien. Dat was ook zo met deze stukken materiaal.
De gepopte constructie kon wijzen op stukken van een vliegtuig. Mijn fantasie sloeg meteen op hol en ik bedacht allerlei spannende scenario’s.

Daar moest ik méér van weten en waar weten ze veel van vliegtuigen? In het Aviodrome!
Ik mailde ze foto’s van de stukken metaal en wachtte nieuwsgierig op antwoord. Dat kwam.

De museummedewerker van het Aviodrome vertelde dat de scherven wat aan de kleine kant waren om het exact te kunnen beoordelen, maar dat ze waarschijnlijk van een Duits vliegtuig zijn geweest. Vermoedelijk van een Junkers 52. Deze vliegtuigen zijn tijdens de tweede wereldoorlog onder andere in Katwijk geland op het strand om troepen af te zetten. Sommige konden niet meer weg omdat ze vastgezogen zaten.

Ook werden er vele vanuit de lucht door Nederlanders vernietigd. Nederland hield het niet lang vol maar zag wel kans om een groot deel van de Duitse luchtvloot te vernietigen. Verder werden er in de eerste dagen veel Duitse elite troepen gevangen genomen en onmiddellijk op de boot naar Engeland gezet in krijgsgevangenschap. Mede hierdoor kon Hitler Engeland niet met overmacht aanvallen en konden de Engelsen de aanval afslaan.

Met dit opmerkelijke verhaal kreeg ook een niet-fossiel stukje ijzer een belangrijke plaats in onze geschiedenis.