zondag 31 mei 2015

Misleidend mesheft

Tijdens een wandeling over het strand, de blik op gericht op het zand, speurend naar fossiele botten en schelpen, bleef ik ineens stokstijf staan. Wat lag daar? Verbaasd boog ik richting het luguber ogende voorwerpje dat daar in het zand lag. Het leek warempel wel stuk vinger! Een stuk was het wel, maar niet van een vinger, maar van een zwaardschede, de lange Jan onder de schelpen, ook wel mesheft genoemd.

Wat een fraai stukje misleiding had ik hier in handen. De donkere verkleuring leek sprekend op een nagel en de schelp kon zo doorgaan voor een bleke vinger. Wat een goede grap van moeder natuur. Om verkleuring te voorkomen, had ik ook een grappige oplossing. Ik behandelde het stukje schelp met een wel heel toepasselijk goedje:

Nagellak. 

En wat staat het grappig, dat stukje ‘schelpenvinger’ tussen de fossiele botten van vos, hert en bever!

zondag 22 september 2013

Pijp aan Maarten gegeven?

Nee, deze pijp was hoogstwaarschijnlijk voor Jan. Om precies te zijn: Jan Wijdeven uit Erp. Dat staat op het pijpenhoofdje geschreven.

Ik kreeg het kopje van iemand die het vond in Zoeterwoude. "Schrijf jij er maar een stukje over", zei hij. Zo gezegd, zo gedaan. Ik ging op zoek naar meer feiten over het bijzondere geschenk.
Iemand die geweldig veel van kleipijpen weet en die een enorme verzameling heeft, gaf mij al veel informatie. Zo hoorde ik dat het pijpenhoofdje uit de periode 1880 – 1920 komt. Het model is een zogenaamde kromkop en het moet inderdaad een geschenk zijn geweest aan Jan Wijdeven.

Kleipijpen met naam waren vroeger niet bijzonder. De langstelige rookapparaten waren heel kwetsbaar en die nam je niet gemakkelijk ergens mee naartoe. Ging je naar een café of buurtvereniging, dan kon je daar je pijp stallen. Men krabbelde dan eerst je naam erop.
De reclamemogelijkheid op kleipijpen was grenzeloos. Van alles zag ik voorbij komen: Natuurlijk een reclame voor tabaksproducent van Nelle, een souvenirplaatje van de stad Gouda en er was zelfs een Feijenoordpijp bij.

Wat zal Jan Wijdeven blij zijn geweest met zijn roker, want ruim honderd jaar geleden was het roken een bijzondere gebeurtenis. Dat blijkt wel uit de beschrijvingen die ik over het kleipijproken vond: ‘Het smurken aan zoo’n lange steenen pijp geeft iets recht genoeglijks en in den blauwen smook, die zoo vredig hangen blijft, zit iets van de oude toebacksfeer’.
Of deze over het vervaardigen van de pijp en dan met name het drogen: ‘De pijpen gaan drie dagen den oven in, waar een temperatuur van duizend graden de rest doet. Als mooie lange witte pijpen, hard en toch poreus, komen zij bij trossen weer uit de potten tevoorschijn; ineens vol leven, de broze stelen zacht rinkelend tegen elkander.’

Mooie woorden die je nu niet meer over het roken zult horen. De pijp is aan Maarten gegeven.

zondag 9 juni 2013

Fossielen onder je schoenen

Laatst kwam ik tot de conclusie dat dat inderdaad regelmatig voor komt, fossielen onder je schoenen. We lopen er soms gewoon overheen, zonder ons ervan bewust te zijn. Bijvoorbeeld in een schoenenwinkel. Manlief moest een paar nieuwe schoenen. Omdat hij helemaal niet van winkelen houdt, gingen we zo snel mogelijk van A naar schoen.

De herenschoenen waren op de 1e etage van de winkel, we liepen de trap op en daarbij keek ik automatisch naar beneden. Sinds ik fossielen verzamel, is het naar de grond kijken een automatisme.

En daar zag ik ze, fossielen. Zo maar op de trap van de schoenenwinkel.


De traptreden waren bedekt met schelpresten van brachiopoden, stengelfragmenten van zeelelies en koraalfragmenten. Ze waren vereeuwigd in hardsteen.
Terwijl verschillende schoenzoekers langs mij heen liepen, bleef ik op de trap staan turen naar deze sporen uit een ver verleden. Het was opmerkelijk dit fossiele zeeleven zo dicht bij de hedendaagse mens te zien. Het verschil in jaren (minstens 300 miljoen) was opvallend, maar de gedachte dat niemand in de schoenenwinkel zich van de bijzondere traptreden bewust was, maakte het heel speciaal.


Maar de schoenenwinkel was niet de eerste vreemde plek waar ik fossielen zag.


Tijdens een vakantie aan de Kroatische kust zag ik ze ook, als afdrukken in de rotsen.
Honderden blote voeten in vakantiegangersslippers raakten de fossiele afdrukken, maar niemand was zich bewust van het opmerkelijke pad.

Ook de stad Leiden ligt vol met oude schelpresten en fragmenten van koralen.
Het stadhuis, de Burgsteeg, het volkenkundig museum, bistro de Cityhall en de Stadsgehoorzaal hebben vloeren die meer dan het lopen erover waard zijn. Dat bedachten ook het museum Naturalis en de geologen van TNO. Zij hebben samen een natuursteenwandeling door Leiden opgezet.

De wandeling staat beschreven in een folder, met foto's van alle steensoorten in de voor ieder bekende gebouwen. Er gaat een wereld voor je open wanneer je ziet hoe we zijn omringd door fossielen.





Zelfs wanneer je uit eten gaat in bistro Cityhall in Leiden, ligt het verleden aan je voeten.



woensdag 29 mei 2013

Mammoet op de motor

Nee, dat kan niet. Of toch wel? Jazeker, zelfs een paard op de motor! Het gaat hier niet om een voertuig, maar om de Zandmotor, een kunstmatig aangelegde zandbank ter hoogte van Monster. Hier vond ik stukken tand en bot van de mammoet en een hielbeen van een paard.
De Zandmotor is een experiment in het kader van het kustverdedigingssysteem. In 2011 uitgevoerd voor de kust van Zuid-Holland. Het heeft de vorm van een schiereiland.
Fragment mammoettand
Elk jaar pikt de zee zand van de Nederlandse kust weg. Dat brengt het westen, dat beneden het zeeniveau ligt, in gevaar. Rijkswaterstaat vult het opgeslokte zand steeds weer aan. Op zich werkt dit prima, maar het kost wel een hele berg zand.

Neem bijvoorbeeld de Noordwijkse kust. Ondanks dat deze kust in 2007 met een dijk is versterkt, moet er door erosie toch regelmatig weer 250.000 m³ zand bij. Daarmee kun je 284.000 zandbakken vullen, om maar even een idee te geven. Bovendien komt dit onderhoudsklusje steeds weer terug.
Men ging daarom op zoek naar een lange termijn oplossing en kwam zo op de Zandmotor.

Wandelen en speuren naar fossielen

De Zandmotor vanuit de lucht gezien

Voor de aanleg van deze kunstmatige zandbank zogen schepen met grote sterke pompen en motoren zand van de Noordzeebodem en spoten het op het strand. Dat waren enorme hoeveelheden, in totaal werd er 19 miljoen kubieke meter zand gebruikt! Het was een berenklus, maar wanneer het experiment slaagt, dan heb je er ook geen omkijken meer naar. Dankzij de energie van de wind, golven en stroming komt het zand zelf in beweging. Het verspreidt zich langs de kust en maakt deze sterker. De drijvende kracht van wind, golven en stroming werkt als een motor, vandaar ook de naam 'Zandmotor'.

De Zandmotor leverde niet alleen een uniek kustverdedigingssysteem, maar ook een rijkdom aan fossielen. Een deel van de enorme bak zand die is opgehaald uit de Noordzee en uitgespuugd op het strand, is namelijk zo’n 11.500 tot 128.000 jaar oud! Toen was de zeespiegel door toename van het landijs in Scandinavië enorm gedaald en de Noordzee werd land. Nederland was verbonden met Engeland! Het landschap bestond uit koude ruige steppes waar geen boom te vinden was, maar wel grassen en lage struiken. Een lekkernij voor de grote graas gasten zoals de wolharige mammoeten, bizons, wolharige neushoorns, wilde paarden en reuzenherten.



Hielbeen paard
Deze grote grazers stierven uit, waarschijnlijk door een stijging van de zeespiegel. Veel botten kwamen terecht onder het zand van de zeebodem en werden fossielen. Met de aanleg van de Zandmotor kregen ze een nieuwe plek. Soms in musea, waar ze worden onderzocht en getoond aan publiek. Soms bij verzamelaars zoals ik, waar ze worden bewonderd om hun schoonheid.

maandag 18 maart 2013

Waggelende withoofden

Zo omschreef ontdekkingsreiziger Sir John Narborough in de 17e eeuw de pinguins die hij zag in Puerto Deseado, Argentinie. Sir John had nog nooit zulke vreemde wezens gezien. Dat bleek wel uit zijn beschrijving van de diertjes: ‘rechtop staand als kleine kinderen in witte schorten dicht opeen’.
Sir John noemde de waggelende withoofden ‘peng wyn’ dat in het Welsh ‘withoofden’ betekent.

En van zo’n peng wyn heb ik het dijbeentje, het ‘cluncoes’, om maar even in het Welsh te blijven.

Ik kreeg dit ‘cluncoes’ van een familielid dat in Argentinie op vakantie was. Hij raapte het op in Puerto Deseado, waar ook nu nog duizenden pinguins leven.....en weer dood gaan. Hun botten blijven liggen en zullen uiteindelijk vergaan.
Maar één botje reisde na de dood nog verder, wel 11.000 kilometer, om daarna een speciale plaats te krijgen in mijn vitrinekast. Uitgewaggeld, maar nog steeds bijzonder.

maandag 14 januari 2013

Vuurwerk

Soms krijg je zo maar iets bijzonders in je handen. Een kennis die wist van mijn passie voor het verleden, bracht een aantal scherven voor mij mee. Eén daarvan was afkomstig van een zogenaamde vuurklok. Ik had er nog nooit van gehoord.

Vuurklok met platte kant
Een vuurklok, zo hoorde ik, was een kap die men rond de 17e eeuw gebruikte om een open vuur in huis af te dekken. De huizen waren koud en vochtig in de winter. Daarom maakte men in huis een open vuur in een zogeheten vuurplaats. Dat was geen klusje zonder gevaar. De meeste huizen waren tot in de Middeleeuwen van hout, riet en leem gemaakt. Er is weinig voorstellingsvermogen voor nodig wat er gebeurt met een vonkje in het riet.
Kleine huizen hadden daarom in de Middeleeuwen één tegen de wand gemetselde schoorsteen. Daar bevond zich de vuurplaats waarin het vuur werd gemaakt dat ’s nachts met een vuurklok werd afgedekt. Door de constructie van de vuurklok bleef het vuur heel zachtjes smeulen en kon het de andere morgen weer eenvoudig worden aangewakkerd.

Tondeldoos
Maar waarom niet gewoon het vuur doven en de andere morgen weer aansteken? Omdat dat ‘niet gewoon’ ging. In die tijd beschikten ze nog niet over de o zo handige zwavelstokjes om vlam te maken. Daarvoor had je een tondeldoos nodig. Dit was een doosje met tondel, een licht ontvlambaar materiaal, zoals bijvoorbeeld vlas of de tondelzwam. De tondelzwam bestaat uit heel fijne vezels die heel snel ontbranden. De ijsman Oetzi had ze ook bij zich om vuur te maken. Deze zwammen groeien nog steeds overal op dode bomen. Bij de tondeldoos hoorde nog een metalen ring (de vuurslag) en je had ook een vuursteentje nodig.De vuursteen werd op de ring geslagen en met de vonk die daarbij vrij kwam, kon je het vlas of de tondel laten branden. Tenminste, als je behendig was. Het was namelijk nog een hele kunst om de boel in vuur en vlam te krijgen. Bovendien was zo’n tondeldoos duur. Men wilde daarom graag ’s nachts het vuur zachtjes laten smeulen. Met al dat hout, riet en leem in de buurt moest dat natuurlijk wel veilig gebeuren en daarvoor werd een zogenaamde ‘vuurklok’ gebruikt.

Vuurklok rond
De klokvormige stolpen vuurklokken waren gemaakt van aardewerk, soms voorzien van luchtgaatjes en één of meer handvaten. Soms hadden ze een tuit die dezelfde functie had als de luchtgaatjes. Deze luchtgaatjes zaten er in om het vuur ‘s nachts niet te laten uitgaan. Er waren twee typen vuurklokken:
- ronde vrijstaande modellen;
- halfronde exemplaren die tegen de wand geplaatst kunnen worden, bij een schouw met een vlakke stenen achterwand.


Vuurklok rond
De scherven van vuurklokken hebben dan ook een geblakerde kant, maar er zijn ook scherven zonder roetkant gevonden. Vreemd? Toch niet. In de loop van de 18e eeuw werd de vuurklok vervangen door de as- en doofpot. De vuurklokken werden niet meer als vuurafdekkers gebruikt, maar stonden als siervoorwerpen in huis. Wat zijn ze mooi, die klokgave exemplaren.

zaterdag 10 november 2012

Speels oudje



Tijdens een avondwandeling door het dorp liep ik met manlief door een oud straatje. Enkele panden waren daar afgebroken om plaats te maken voor moderne appartementen. En waar oud was, daar kunnen altijd interessante dingen liggen. Wat had ik graag het afbraakterreintje afgestruind, speurend naar al het oude wat was. Maar een hek hield mijn plannen tegen. Jammer, de panden die er stonden, hadden namelijk deel uit gemaakt van de dorpskern die al sinds 1650 bestond. Mmmm.. al kon ik dan niet op het terrein rond lopen, ik kon wel met mijn armen door het hek hengelen. Tussen wat puin vond ik een bruin/grijs balletje ter grootte van een wijnbal.

Wat was het? Een knikker? Een prul? Ik gokte op een knikker en ging op zoek naar informatie die ik kreeg van een gepassioneerde knikkerverzamelaar.

Hij vertelde dat mijn vondstje hoogstwaarschijnlijk een stenen knikker is. Gedurende honderden jaren zijn er knikkers van allerlei materialen gemaakt: marmer, porselein, klei en glas. Marmer en porselein vielen volgens de kenner sowieso al af, want die beschadigen niet zo. Klei heeft vaak een zelfde kleur en omdat mijn knikker zwarte vlekjes heeft, kon ook die mogelijkheid worden afgestreept. De enige optie was dat-ie van steen is.

Vanaf 1550 tot ongeveer 1850 werden er in Europa knikkers van steen gemaakt in steenmolens. Dit gebeurde in voornamelijk in Belgie, maar ook in Duitsland. De meeste van deze knikkers gingen naar Nederland.
Ongeacht van welk materiaal ze ook waren, knikkers behielden over het algemeen hun naam naar aanleiding van het oorspronkelijke materiaal waarvan ze waren gemaakt: marmer.
De Duitsers noemden ze' Marmor', Engelsen zeiden 'Marbel', de Vlamingen spraken over 'Merbels' en onze Zeeuwen knikkerden met 'Murpels'.  Na deze interessante taalles zat ik alleen nog met de vraag hoe oud mijn kleine roller was.
Daarop kon de knikkerverzamelaar antwoord geven. Hij vertelde mij dat op grond van het materiaal de knikker zeker tussen 1700 en 1750 moet zijn gemaakt. Dit was de glorietijd van de stenen knikkers. Drommels! Een stuiter van meer dan 300 jaar oud! Wie zou daarmee hebben geknikkerd in ons dorp? Misschien wel de kleine Jannetje die er mee heeft leren knikkeren van haar broer Kobus. Ik zie het tweetal zo staan waarbij Kobus geduldig aan Jannetje uitlegt hoe zij moet knikkeren:

'Men neemt eene aental knickersch in den hand, eene tweede voegt er evenveel bij. Den eersgte probeert de knickersch in eene in den gront gemaekt kuiltje te goijen. Blijft eene eeven aental in 't kuiltje lighen, dan heeft hij allesch gewonnen; soo niet, dan heeft den ander gewonnen. In plaetsch van eene kuiltje in den grond, kan oock 't kuiltje in eene hoet worden gebruikt.'


Tja, ik kan alleen maar fantaseren hoe dat zo’n 300 jaar geleden is gegaan. Ik had graag eens een kijkje in deze tijd willen nemen. Dan had ik waarschijnlijk ook gezien hoe Jannetjes knikker zo lang bewaard heeft kunnen blijven. Misschien ‘goijde’ ze wel ietsje te hard en ‘rolde den knicker in eene putje’, waar Jannetje er niet meer bij kon en in tranen naar haar moeder rende. De knikker wachtte 300 jaar geduldig af tot het huisje, inclusief put verdwenen was en zij weer opgeraapt kon worden. Een knikkerkuiltje heb ik al gegraven.

donderdag 23 augustus 2012

Steengoed gereedschap


Inderdaad, steengoed in de letterlijke zin van het woord. Dat is niet overdreven want het gereedschap dat mam moet laten zien is niet alleen zeer oud, maar ook nog zeer bruikbaar. Zeer oud in de zin van tienduizenden jaren voor Chr. Zeer bruikbaar omdat het gereedschap nog heel scherp is. Het gaat hier om werktuigen uit het stenen tijdperk.

Deze vernuftige gereedschappen uit het verleden worden ook wel artefacten genoemd. Ze dienen om het werk eenvoudiger en lichter te maken.
En dat was precies wat de stenen tijdperkmens nodig had.
Die moest in het stenen tijdperk niet alleen middelen voor de jacht hebben, maar ook gereedschap om de huiden van beesten te bewerken en huizen te bouwen. De steentijdmens ging aan de slag en door middel van het splijten van vuursteen maakte hij robuuste werktuigen zoals bijlen, vuistbijlen, klingen, schrabbers en schrapers. Vuursteen werd vaak gebruikt omdat deze steensoort het meest geschikt was om te splijten, hard genoeg was en scherpe breukvlakken had.
Ik vind werktuigen altijd erg fascinerend en ik was daarom opgetogen toen ik op een schelpenpad van een kantoorgebouw in Nederland een steen vond in de vorm van een vuistbijl. Maar de pret was van korte duur. Ik kwam erachter dat in Nederland zelden werktuigen worden gevonden en ik behoorde niet tot de groep van zeldzame vinders. Wat ik had opgeraapt zag er dan wel uit als een werktuig, maar bleek een eoliet te zijn.
Een eoliet


Eolieten zijn de misleiders onder de werktuigen. Ze ontstaan door natuurlijke krachten zoals erosie van de branding van de zee, stromend water over rivierkeien of door vorst en vuur.



Nee, voor echte werktuigen moet je naar Frankrijk. Dat hoorde ik een kenner vertellen. Hij was in de Dordogne geweest en had daar een aantal werktuigen gevonden. Ik mocht een paar van deze artefacten hebben en was er dolblij mee. De gevonden werktuigen waren klingen en schrabbers. Ze zijn gemaakt van Silex (vuursteen) en zijn van circa 17.000 tot 14.000 jaar voor Chr. Stuk voor stuk zijn ze nog vlijmscherp!


Je kunt er makkelijk nog een stukje Franse kaas mee snijden.





zondag 15 april 2012

Mammoet schouder ophalen

Fragment schouderblad mammoet
Mammoet inderdaad de schouder ophalen…van een echte mammoet. Dit fossiele juweel kwam in mijn collectie, samen met andere fossiele botten, cadeau gedaan door een gepassioneerde verzamelaar. Het is een deel van het schouderblad van een mammoet. Het deel meet al 19 cm maar de afmeting van een compleet schouderblad ligt tussen de 65 en 100 cm!

Toen ik de verzameling botfragmenten kreeg, vroeg ik mijn schenker van welk dier de botten afkomstig waren. Lachend vertelde hij me dat ik dat zelf mocht gaan uitzoeken in het kader van het leren determineren. Dat determineren is niet eenvoudig. Het is tijdrovend en de hoeveelheid geschonken botten maakte dat ik de achterstand in determineren nog steeds niet heb kunnen wegwerken. Zo af en toe pak ik er eentje uit om het determineren te ‘oefenen’. Dit keer was het een botfragment, dat later het schouderfragment van de mammoet bleek te zijn.
Fragment schouderblad mammoet (andere zijde)

Om te kunnen bepalen tot welk dier het bot behoort, moet je eerst weten om welk bottype het gaat, zoals bijvoorbeeld een dijbeen, opperarmbeen of schouderblad. Hier heb je meteen al het eerste struikelblok te pakken. Soms is een bot zó beschadigd dat er van de oorspronkelijke vorm maar weinig te herkennen is. Dat was ook bij dit botfragment het geval.
Wanneer een bot zo kapot is dat het bottype niet meteen herkenbaar is, dan komt het aan op ervaring. Die ervaring doe je op door het bot(fragment) heel goed te bekijken, te meten en te vergelijken met andere botten. Die vergelijking kun je doen met afbeeldingen in boeken, maar het meest leer je nog als je al duizenden botten door je handen laat gaan.

Mijn collectie botten is echter maar klein. Bovendien heb ik daarin nog maar heel weinig mammoetmateriaal en al helemaal geen schouderblad, dus op het onderdeel determineren haalde ik dit keer geen goed cijfer.

Om de waarheid te zeggen, ik zat er compleet naast met mijn idee van een dijbeen van een wisent. Maar door er nu compleet naast te zitten heb ik wel geleerd steeds dichter bij het goede antwoord te komen. Het is gewoon een kwestie van je schouders eronder zetten.

zondag 8 april 2012

Versteende reuzen

Fragment versteend hout
Het fossieltje dat ik laatst kreeg, mag wel het oudst in mijn bescheiden verzameling worden genoemd. Het is een stukje versteend hout van 150 miljoen jaar oud. Een familielid, die wist van mijn voorliefde voor al het oude, bracht het voor mij mee. Natuurlijk wil ik deze geologische schat niet helemaal voor mijzelf houden, dus toon ik het wondertje op ‘Watmammoet’. En een wondertje, dat is het zeker.
Het kleine fragmentje komt uit het versteende bos van Argentinië, om precies te zijn: het ‘Bosque Petrificado José Ormachea’. Hier liggen versteende bomen van wel 30 meter lang en met een diameter van meer dan 3 meter, Si señor!

Versteende boom uit het Bosque petrificado, Argentinië
Je zou zeggen dat bomen met een dergelijke omvang wel tegen een stootje kunnen. Dat is ook zo, maar tegen het klimatologische geweld waar deze bomen mee te maken kregen, was niets bestand. Het gebied waarin ze stonden, werd miljoenen jaren geleden geteisterd door hevige orkanen en aardbevingen, waardoor zelfs bomen van enorme afmetingen werden geveld.
Gek genoeg is het aan vulkaanuitbarstingen te ‘danken’ dat wij deze bomen nog kunnen aanraken. De vulkaanas bedekte namelijk de omgevallen bomen. Hierdoor kwam een fossiliserend proces op gang. Alle organische materialen in het hout werden vervangen door mineralen, zoals onder andere kwarts. De bomen versteenden, maar behielden de structuur van het hout. 

Kruittoren Nijmegen nabij Kronenburgerpark

Liggend zorgen deze versteende reuzen al voor een fascinerend gezicht, maar wat moet het indrukwekkend zijn geweest toen ze nog in volle glorie met hun kruinen naar de hemel reikten. Zo hoog als de Nijmeegse kruittoren aan het door Frank Boeijen bezongen Kronenburgerpark.

maandag 12 maart 2012

De vondst van een heilzame vondst

Bij het omspitten van mijn achtertuintje rolde er zomaar iets moois in mijn handen. Tussen de donkere kluiten aarde vond ik namelijk een deel van een klein groen glazen flesje met in reliëf nog net leesbaar: “d ClaasTilly”.
Het flesje zag eruit als een ‘trouwbedankje’, vast meegegeven door het bruidspaar ‘Claas en Tilly, bedacht ik zo. Maar een virtuele zoektocht zette Claas en Tilly al snel op een bijspoor. Het ging hier namelijk om een deel van een flesje zogenaamde ‘Haarlemmerolie', ongeveer 300 jaar geleden uitgevonden door de Haarlemse onderwijzer Claes Tilly.
 
Claes was waarschijnlijk een praktische man met weinig ruimte in zijn medicijnkastje. In plaats van een pilletje voor elke kwaal bedacht hij ‘Haarlemmerolie’, een uit kruiden, zwavel en terpentijn bestaand wondermiddel voor een heleboel kwalen. Hij verpakte zijn olie in langwerpige flesjes van ongeveer 9 cm lang.
Je kon geen moment meer zonder de wonderlijke olie volgens Tilly, want volgens hem geneest het:  de benaauwde band, die men heeft op of om de maag, verstuiking in de handen en voeten, pijn in de Lenden, geronne bloed en blaauwe plekken, allerlei koorts, velerlei maag-, long- en lever quaal, benauwde borst en hoest, inwendige quetzing en verzwering, pijnlijk wateren en stoelgang, geeft het aanzicht een gezonde couleur, drijft scheurbuik en waterzucht uit, Engelsche Ziekte en wormen. Tilly sloot de lijst met ellende af met de verlossende woorden: “Al dit bovenstaande wordt genezen met 15 droppelen om den anderen dag ingenomen, en kinderen zoo veel droppelen als zij jaren oud zijn”.

Het middel genoot enkele honderden jaren geleden zelfs al internationale faam want veel zeevaarders, zendelingen en missionarissen namen het middel mee op hun tochten naar verre werelddelen.

Ja, wonderolie wordt ervaren als een echt paardenmiddel, zelfs in letterlijke zin. Zo hoorde ik dat paarden met koliek, wormbesmettingen en maagzweren het weer prima ‘doen’ op het mengsel van meester Tilly.
Woonhuis en Haarlemmeroliefabriek Claes Tilly
In Nederland was men er dol op en sommigen ‘zweren’ nog steeds bij deze Haarlemse uitvinding.
Waarschijnlijk ook de vroegere bewoner van ons meer dan honderd jaar oude huis. Misschien had die wel last van pijnlijk wateren of wilde hij graag een gezonde couleur op het aangezicht? Misschien was het wel voor zijn trekpaard, dat leed aan een pijnlijke koliek?
Of was het voor hen allebei? Voor het trekpaard met de koliek en voor de bewoner die er, na een flinke trap van het humeurige trekpaard,  een flinke inwendige quetzing aan had overgehouden?
We zullen het nooit zeker weten, maar dat weet je met wonderen nooit.

zondag 5 februari 2012

Ik heb een tand(te) uit Marokko


Ja, deze tand(te) komt inderdaad uit Marokko en het is verwonderlijk hoe ze op haar bejaarde leeftijd nog de wereld rondreist. Deze tand(te) is namelijk al ongeveer 50 miljoen jaar oud. Waar het hier om gaat is natuurlijk geen tante in de zin van het woord, maar om een fossiele tand, om precies te zijn: een haaientand. Om nóg preciezer te zijn: een tand van de Otodus Obliquus. Een uitgestorven haaiensoort die familie is van de hedendaagse haringhaai. De Otodus was wel een stukje groter dan haar nu levend familielid. De haringhaaien die onze zeeën nu bevolken meten op zijn hoogst 3,5 meter terwijl de Otodus de afmeting had van een Amerikaanse camper.

Net als de 'mammoth chips' is dit geen vondst die ik op mijn naam mag schrijven, maar op de naam van mijn twee familieleden. Zij namen tand(te) Otodus mee van een zonnige vakantie, niet in Marokko maar in Spanje.

De tand lag daar in een marktkraampje stilletjes met ammonieten en pijlpunten van inktvissen te wachten tot ze mee mocht naar Nederland waar ‘mam’ wel zou weten wat ze er mee ‘moet’.

Mammoest eerst op zoek naar de voorgeschiedenis en vond die. De tand komt uit de omgeving van Khouribga en Oued Zem, Marokko. In Marokko wordt veel fosfaat gewonnen in open groeves. In deze fosfaatafzettingen komen veel zee-fossielen voor zoals bijvoorbeeld haaientanden. Alleen de tanden en wervels van deze oude bijter worden gevonden, geen skeletten. Dit komt door het kraakbenig skelet dat te broos is om als fossiel bewaard te blijven.

De tandenfee zou allang op zwart zaad hebben gezeten als ze de haai als klant had. In de loop van zijn leven verslijt de haai namelijk duizenden tanden. Haaien kunnen tot wel 8 rijen tanden hebben. Veel tijd om stomp te worden, krijgen ze niet. Ze staan slechts enkele dagen of weken in de voorste rij. Dan stopt de aanvoer van voedingssstoffen, het tandvlees eronder sterft af en de tand valt uit. Een haai kan zo tijdens zijn leven wel 20.000 tanden verbruiken. Dát is pas wisselen!


Het waren ware slagersmessen, de tanden. De zijkanten waren vlijmscherp, een soort minimesjes. Als de haai haar bek dichtklapte, dan scheerden de tanden als een schaar langs elkaar. Zo ‘knipten’ze grote lappen vlees zonder veel moeite van een prooi.

Al mag de tand dan al lange tijd geen deel uit maken van een levend dier, de knipfunctie doet het nog prima! Moeiteloos glijdt de tand door een stuk papier.
Huiveringwekkend om je voor te stellen waartoe het dier bij leven in staat was.

dinsdag 27 december 2011

Mammoettanden uit onverwachte hoek

Ja, deze mammoettanden komen niet alleen uit een onverwachte hoek, maar ook in een onverwachte verpakking en in een onverwacht formaat.
Wat is er zo onverwacht aan? Wel, mammoettanden worden doorgaans in de grond ontdekt. Naar boven gekomen door gesmolten ijs, opgevist uit zee of zichtbaar geworden in drooggevallen rivierbeddingen. Ze zijn dan niet mooi verpakt en doorgaans een stukje groter dan het formaat waarin ik ze kreeg.

Maar deze tanden hebben een ander verhaal. Ze komen van 184 meter hoog uit de Space Needle in Seattle, Washington USA. Ik kreeg ze als souvenir in een plastic buisje waarop stond: ’Wooly Mammoth Chips’. Het waren kleine stukjes gefossiliseerd ivoor, afkomstig van de wolharige mammoet, de Mammuthus Primigenius.
Er moest een reden zijn waarom ze juist daar in Seattle, op de Space Needle deze stukjes mammoettand verkopen. Dat was al snel uitgevogeld.

De Space Needle is een grote toeristische attractie in Seattle. De toren is geplaatst ter ere van de wereldtentoonstelling van 1962. Het is het symbool van Seattle en trekt veel bezoekers. Deze bezoekers kunnen van een hoogte van wel 184 meter kijken naar het Olympic Peninsula. En daarmee is de verkoop van dit bijzondere souvenir verklaard want het Olympic Peninsula is een belangrijke vindplaats van mammoetresten.

Mammoetresten tref je doorgaans in een museum aan en het is een unicum ze zelf in bezit te hebben. Maar soms vinden ze op een opmerkelijke manier ook hun weg naar het huis van een kleine verzamelaar zoals ik.

maandag 12 december 2011

Zeeklit met keurig kapsel

Een mooi gekamd hoofdje, daar dacht ik meteen aan toen ik het karkas van dit mooie schepseltje vond. Het keurig gekapte bolletje is van een zeeklit.

De naam strookt helemaal niet met hoe de zeeklit eruit ziet. Alle haartjes liggen zo mooi in de plooi dat ‘zeecoupe’ wel een goede benaming was geweest. Of nóg deftiger : ‘zeecoiffure’. Ik vond het dan ook erg grappig toen ik las dat een zeeklit ook wel ‘hartegel’ wordt genoemd.
Met ‘coiffure’ nog in mijn hoofd sprak ik dit helemaal verkeerd uit: ‘harte-gel’ terwijl dit natuurlijk ‘hart-egel’ moet zijn.
Tot nu toe weten we nog niet veel meer van de zeeklit dan de parodie van namen die ik er op heb losgelaten. Maar wat is een zeeklit nou eigenlijk? 

Het is een grote hartvormige zee-egel. Het kale, erg breekbare skelet ligt vaak op het strand. Als ze nog leven, dan zijn hun lichamen overdekt met een zeer groot aantal dunne, korte stekels. Die liggen plat op het lichaam liggen en zijn naar achteren gericht. Het lijken meer op stugge haartjes dan op stekels, waardoor een levende zeeklit meer weg heeft van een harige aardappel. In het Engels worden ze dan ook ‘zee-aardappel’ genoemd.

Zeeklitten leven ingegraven in de zeebodem, ze houden een tunnel open naar het bodemoppervlak waar ze extra lange zuignap-voetjes doorheen steken. Met deze gevoelige voetjes zoeken ze op de oppervlakte van de zeebodem naar organisch afval. Vervuiling van de zeebodem met olie heeft daarom een nadelige invloed op ze.
Omdat de zeeklit in het zand leeft en een breekbaar skelet heeft, is hij erg gevoelig voor bodemverstoring. Als hij in een visnet terecht komt, is er weinig kans dat hij het overleeft, omdat hij met zijn tere skelet al snel platgedrukt wordt.

Nederlandse vissers noemen de zeeklit ook wel koeten-ei of zandbollen. In de wat noordelijker gelegen visgebieden, zoals de Oestergronden, kan een bodemvisnet (boomkor bijvoorbeeld) geheel gevuld met zeeklitten boven water komen, zo dicht opeengepakt leven ze soms op de bodem. En een visser vist op vis, niet op zeeklitjes, dus wanneer een visser een net vol met deze fragiele schepseltjes naar boven haalt, dan is hij daar niet blij mee.
Als de zeeklit sterft, dan laat haar lichaam daarna weinig sporen meer achter. De stekelhaartjes laten namelijk al heel snel los en de karkasjes zijn zo bros, dat het niet lang duurt voor ze helemaal zijn vergaan.
We waren dus beiden geluksvogels die dag op het strand. De zeeklit, omdat zij nu een prachtig plekje in een vitrinekast krijgt en ik, omdat die vitrinekast de mijne is.

zondag 4 december 2011

Rare (ijzeren) vogel

Op het strand speur ik doorgaans naar fossiele botten, scherven en schelpen, maar soms kom ik vreemde dingen tegen. Er ligt werkelijk van alles. Zo vond ik er ooit een identiteitsbewijs van een Belg, hij was zijn id al jaren kwijt en intussen was het jochie van de foto al uitgegroeid tot een stoere kerel.
En wat te denken van een computerbeeldscherm? Het is duidelijk dat computertechnologie zich niet alleen aan land snel ontwikkelt, maar ook aan boord van schepen niet stilstaat. Ook daar gaan de oude soms ook letterlijk overboord om plaats te maken voor hun platte concurrent.
Het meest vreemde wat ik toch wel in het zand heb zien steken was een kunstgebit, vast onbedoeld overboord gegaan tijdens een woelig vaartochtje.

Maar soms liggen er onbekende stukken metaal, die je niet kunt laten liggen omdat ze er te opmerkelijk uit zien. Dat was ook zo met deze stukken materiaal.
De gepopte constructie kon wijzen op stukken van een vliegtuig. Mijn fantasie sloeg meteen op hol en ik bedacht allerlei spannende scenario’s.

Daar moest ik méér van weten en waar weten ze veel van vliegtuigen? In het Aviodrome!
Ik mailde ze foto’s van de stukken metaal en wachtte nieuwsgierig op antwoord. Dat kwam.

De museummedewerker van het Aviodrome vertelde dat de scherven wat aan de kleine kant waren om het exact te kunnen beoordelen, maar dat ze waarschijnlijk van een Duits vliegtuig zijn geweest. Vermoedelijk van een Junkers 52. Deze vliegtuigen zijn tijdens de tweede wereldoorlog onder andere in Katwijk geland op het strand om troepen af te zetten. Sommige konden niet meer weg omdat ze vastgezogen zaten.

Ook werden er vele vanuit de lucht door Nederlanders vernietigd. Nederland hield het niet lang vol maar zag wel kans om een groot deel van de Duitse luchtvloot te vernietigen. Verder werden er in de eerste dagen veel Duitse elite troepen gevangen genomen en onmiddellijk op de boot naar Engeland gezet in krijgsgevangenschap. Mede hierdoor kon Hitler Engeland niet met overmacht aanvallen en konden de Engelsen de aanval afslaan.

Met dit opmerkelijke verhaal kreeg ook een niet-fossiel stukje ijzer een belangrijke plaats in onze geschiedenis.